Joyce Rozema bewijst dat stoer en vrouwelijk prima samengaan

Het is de nieuwjaarsreceptie bij de ondernemersvereniging. Joyce Rozema (37) staat opgedoft tussen de speeches en de bubbels, jurkje aan, hakken eronder. Naast haar Fokko Wierenga, ondernemer van Autobedrijf Wierenga in Leek en haar partner in alles. Ze drinkt niets vanavond. De bezetting bij het korps is krap; ze staat op de uitruk. En dan gebeurt het. Bam, de pieper. Even is er die seconde van algehele paniek in de zaal. Hoofden draaien, glazen verstillen. Maar Joyce is al weg. Samen met collega-brandweerman en mede-ondernemer Pieter rent ze naar buiten, jurkje wapperend, hakken tikkend over het asfalt. Auto in, contact aan, die kant op. ‘Mijn jurkje aan, hakjes op. En in de auto springen. Dat is serieus, ja.’
Een leven in koppels en piepers
Wie Joyce wil begrijpen, moet leren switchen. Haar echte baan, zoals ze zelf zegt, is op de ambulance. Sinds 1 mei zit ze opnieuw in de schoolbanken, dit keer voor ALS-chauffeur: de spoedambulance. Daarnaast doet ze de administratie en boekhouding van Fokko’s autobedrijf. En al achtenhalf jaar is ze vrijwilliger bij Brandweer Leek. Werk? Welnee. ‘De brandweer zie ik echt niet als werk. Het is gewoon een hobby. Met heel veel plezier.’ Het begon bijna terloops. Haar zwager opperde het: of het niets voor haar was, er was behoefte aan een vrouw in het korps. Ze liep een oefenavond mee en was verkocht. ‘Direct enthousiast, doe mee, wat leuk. Het was open en warm. Ik dacht: hier wil ik bij horen.’ Wat haar het meest verraste? ‘De hechtheid. Het familiegevoel. We gaan voor elkaar door het vuur. Letterlijk.’
Elastiekjes op elke plek
Dat familiegevoel heeft een keerzijde: paraatheid sluipt je leven binnen. In het begin stond ze voortdurend ‘aan’. Boodschappen doen met één oor op de pieper. ‘Wat doe ik met mijn karretje als hij gaat?’ Inmiddels weet ze beter. ‘Als de pieper gaat, dan gaat hij. En dan ga ik.’ Ook al sta je onder de douche met je haar vol shampoo. Dat is een keer gebeurd. ‘Handdoek om mijn kop, snel een t-shirt en een broek aan. Je gaat niks meer. En die kant op.’ Overal in haar leven liggen elastiekjes. Aan haar pols, in de auto, op de kazerne. ‘Sokken en elastiekjes, ja.’ Een klein, vrouwelijk detail in een wereld die nog altijd grotendeels mannelijk is.
Vrouw in een mannenkorps
En juist daar wil ze het over hebben. Want hoewel het beeld van de brandweer langzaam kantelt, blijft Joyce een uitzondering. Bij haar korps zijn ze nu met z’n tweeën. ‘We worden bijna op handen gedragen door de mannen.’ Ze ervaart geen vooroordelen, geen ongemak. Wel een geintje hier en daar, ‘maar ik maak ze net zo hard terug. En dat maakt dat het werkt.’ Ze beseft tegelijk dat het elders anders kan zijn. ‘Er zijn korpsen waar geen vrouwen bij zijn, die dat liever niet hebben. Dat respecteer ik ook; daar is de groep dan ook niet naar.’ Wat zou ze tegen vrouwen zeggen die twijfelen? ‘Je moet stevig in je schoenen staan. Niet zozeer om de mannen, maar gewoon om het werk. En als je in een groep komt die vrouwen omarmt, dan komt het altijd goed.’ Wat ze pertinent níet wil: dat het uniform haar identiteit overschaduwt. ‘Ik wil niet als manwijf gezien worden. Ik ben stoer, maar wel ook gewoon vrouw.’ Ze houdt van haar hakken, van haar jurkjes, van haar lipstick. ‘Het pak gaat over mijn jurkje. Dan ben ik weer net als de rest. Het uniform maakt ons gelijk. En als het wegvalt, is het mooi om je eigen identiteit weer uit te stralen.’
Het hondje uit Tolbert
Vraag haar naar de inzet die bleef hangen, en ze hoeft niet lang na te denken. Een keukenbrand in Tolbert. De bewoner was buiten, in paniek: zijn hondje zat nog binnen. Het huis stond vol rook. Het korps ging zoeken. En vond. ‘We hebben hem veilig naar buiten gebracht. Die bewoner was hartstikke blij. Die hele brand was niet meer relevant.’ In de kazerne hangt nog steeds een foto van de collega met het beestje in zijn armen. ‘De keuken is vervangbaar. Een huisdier niet.’
Praten, huilen, doorgaan
Wat doet zo’n vak met je? Joyce is er nuchter over. ‘We praten heel veel met elkaar.’ Na een heftige inzet is er altijd nabespreking, en bij echt zware gevallen schuift het opvangteam aan. Dagen later wordt er weer ingecheckt: gaat het nog? Ze herinnert zich een reanimatie die haar raakte, en een oefenavond drie dagen later die toevallig over reanimeren ging. ‘Ik heb daar als een malle zitten huilen aan tafel. Maar dat mag. Van de een krijg je een knuffel, van de ander een schouderklopje. Van weer een ander is een blik al genoeg.’ En altijd, altijd in tweetallen. ‘Ga je naar binnen, ga je met z’n tweeën. Ga je knippen in een auto, doe je met z’n tweeën. Je bent nooit alleen.’
Lichamelijk fit en lipstick op
Vraag haar naar de toekomst, en het antwoord is even helder als haar focus die nieuwjaarsavond. Doorgaan. Fit blijven. Chauffeur-pompbediende blijven, en wie weet ooit bevelvoerder worden. Maar nu nog niet. Eerst de ALS-opleiding afmaken, eerst het bedrijf, eerst de oefenavonden op de dinsdag waar ze elke keer weer van geniet. En misschien is dát wel haar krachtigste boodschap aan vrouwen die twijfelen of de brandweer iets voor hen is. Je hoeft geen man te worden om dit werk te doen. Je hoeft je hakken niet uit te trekken. Je mag huilen aan tafel. Je mag je lipstick op de groepsfoto. En als de pieper gaat; ja, dan ren je. Desnoods op hakken.







