LEESBIJLAGE: Wegloopdagen - Pim Lammers

Wegloopdagen, Pim Lammers met illustraties van Sophie Pluim, Uitgeverij Querido
Wegloopdagen, Pim Lammers met illustraties van Sophie Pluim, Uitgeverij Querido Foto: Wegloopdagen, Pim Lammers met illustraties van Sophie Pluim, Uitgeverij Querido
Heel Noordenveld Leest Cultuur

De vaders van Luca maken steeds vaker ruzie. Zo vaak dat Luca bang is dat ze gaan scheiden. Hij ziet nog maar één oplossing: weglopen. Dan vergeten zijn vaders vast dat ze uit elkaar willen. Maar zijn beste vriend is net verhuisd en hij durft niet alleen. Dus moet Luca op zoek naar een nieuwe beste vriend… Wegloopdagen is een grappig en ontroerend avontuur over vriendschap en over hoe je jezelf kunt blijven als alles om je heen verandert.

9

Na een veel te lange schooldag fiets ik zo snel als ik kan naar de supermarkt. Ik pak een van de lege briefjes en begin te schrijven. Als ik klaar ben, wrik ik een van de ongebruikte punaises los uit de hoek van het prikbord. Tussen Boelie en Juan is nog ruimte, dus daar hang ik mijn briefje op. De advertentie met het boshuisje hangt er ook nog steeds. Er staat wéér een extra nul bij.

Ik koop een appelflap en de trage kassajongen glimlacht. Jammer dat hij allang geen elf meer is. Hij was vast een goede beste vriend geweest.

Zodra ik thuiskom, ga ik aan mijn bureau zitten. Voor me ligt de oude telefoon van Lorenzo. Je kunt er geen YouTubefilmpjes op kijken of spelletjes op doen, je kunt er alleen mee bellen en sms’en. Ik kreeg hem voor noodgevallen, zoals een lekke band na muziekles.

Mijn ouders vinden me te jong voor een telefoon met internet. Stom. Als ik te jong ben voor een telefoon met internet, ben ik toch ook te jong voor gescheiden ouders?

Gespannen kijk ik naar het zwarte scherm. Ik wacht tot het oplicht. Er is vast nog nooit iemand geweest die zo lang naar een telefoon heeft zitten staren. Naar een telefoon zonder spelletjes of YouTube, dan.

Maar hoelang ik ook blijf staren, de telefoon gaat niet.

Er gaat nog een dag voorbij waarop ik niet gebeld word.

En nog een.

En nog een.

Die middag ga ik terug naar de supermarkt. Mijn briefje hangt er nog gewoon.

Misschien heeft iedereen in het dorp al een beste

vriend?

Ik wacht nu al vier dagen. Rayan wachtte ook met zijn plan en was te laat.

Vier dagen is lang. In vier dagen tijd had ons huis verkocht kunnen zijn en onze spullen ingepakt, om daarna verdeeld te worden over twee veel te kleine appartementen, in veel te hoge flatgebouwen, in veel te verre steden.

10

Vorige zomer begon papa Sam al een keer over verhuizen. We waren, zoals elke zomer, in Italië en maakten een lange, lange, lange boswandeling.

Lorenzo zei dat er wolven en beren in de Italiaanse bossen woonden, om mij bang te maken. Dat lukte.

Papa Mike zei dat hij ons dan zou beschermen, om mij gerust te stellen. Dat lukte een beetje.

Papa Sam luisterde helemaal niet naar het gesprek. Hij had het te druk met naar een groot, leeg grasveld kijken. Er stond een houten bord bij met daarop Italiaanse woorden. Volgens hem betekenden die: te koop.

‘Hier kunnen we een camping beginnen!’

Papa Mike moest lachen, maar volgens mij was het geen grapje.

Misschien verhuist papa Sam dus helemaal niet naar een veel te kleine flat in een veel te verre stad. Misschien verhuist hij nog veel verder weg, naar een camping in Italië!

Ik kan niet langer wachten. Dan maar weglopen zonder beste vriend.

Ik kijk door mijn slaapkamerraam naar buiten. Het is al vrijdagavond. Het zal niet lang duren voordat het donker is. Morgenochtend weglopen is misschien beter.

Ja. Morgen loop ik weg.

Ik voel kriebels in mijn buik alsof ik in het zwembad van de allerhoogste duikplank moet springen of een spreekbeurt moet houden voor de hele school. Of

nee, alsof ik een spreekbeurt moet houden voor de hele school óp de allerhoogste duikplank.

Ga ik dit echt doen? Weglopen en dan ergens anders slapen, zonder mijn knuffels en zonder mijn nachtlampje?

Ik moet wel. Ik kan niet blijven en toekijken hoe mijn ouders gaan scheiden.

Ik haal mijn weglooptas uit de kast. Alle spullen zitten er nog in. Ik controleer of de zaklamp het doet. Die doet het.

Als je een zaklamp bij je hebt, hoef je niet bang te zijn in het donker. Eén druk op de knop en het donker is weg. Een soort nachtlampje.

Tiehdiehdieh tiehdiehdieh.

Ik schrik en laat de zaklamp uit mijn handen vallen, met een bonk knalt hij op de grond. De batterijen springen eruit.

Tiehdiehdieh tiehdiehdieh.

Het veel te vrolijke deuntje tettert door mijn kamer. Het komt vanaf mijn bureau. Het schermpje van de telefoon licht op.

Het muziekje gaat door, ik durf niet op te nemen.

11

‘Eh, hallo?’

‘Eindelijk! Ben jij degene van het briefje in de supermarkt? Die op zoek is naar een vriend?’ Een meisjesstem.

Ik knik. Mijn mond voelt droog.

Dan bedenk ik dat ze me helemaal niet kan zien, en ik zeg snel: ‘Ja, ja, dat ben ik.’

‘Mooi. Ik ben tien, ik hou van avontuur en ik ben niet bang in het donker.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen, dus zeg ik alleen maar: ‘Oké.’

‘Dus dan ben ik je nieuwe vriend.’

Ze is even stil. Ik ook.

‘Toch?’ vraagt ze dan.

‘Eh, ja. Denk ik.’

‘En vrienden helpen elkaar, dus morgen spreken we af. Ik heb je hulp nodig.’

Ik kijk naar mijn weglooptas. ‘Morgen kan ik niet.’

‘Waarom niet?’

‘Ik, eh...’ Ik probeer snel iets te bedenken, maar mijn hoofd is leeg. ‘Dat kan ik niet zeggen.’

‘Hoezo niet? Vrienden vertellen elkaar altijd alles.’

Ze heeft gelijk. Rayan en ik vertellen elkaar ook altijd alles. Vertelden. Want hij weet nog niet eens dat mijn ouders gaan scheiden.

‘Ik ga morgen weglopen.’

‘Weglopen?’

‘Ja, morgen loop ik weg.’

Zou ze het raar vinden? Zou ze het net als Lorenzo kinderachtig vinden?

Ik wacht tot ze begint met uitlachen, maar ik hoor niets.

‘Ben je er nog?’ vraag ik.

‘Maar dat is fantastisch!’ roept ze ineens heel enthousiast. ‘Ik wilde morgen ook weglopen! Dan kunnen we samen gaan.’

Dat antwoord had ik niet verwacht. ‘Echt?’

‘Ja! Dus dan zien we elkaar morgenochtend om kwart over acht aan de rand van het bos.’

‘Oké.’

‘Mooi!’ zegt ze. ‘Dan is het morgen wegloopdag! Tot morgen!’

En ze hangt op.

Ik leg mijn telefoon weer op mijn bureau. Mijn hand trilt een beetje.

Ik voel de kriebels in mijn buik nog steeds, maar nu iets minder erg. Die spreekbeurt op de allerhoogste duikplank hoef ik niet meer in mijn eentje te doen.

Ik heb een nieuwe vriend. Een nieuwe beste vriend.

Tiehdieh.

Weer de telefoon. Een berichtje: Je vergat te vragen welke rand van het bos. Die achter de supermarkt dus. Tot morgen!

Ik ga naar contact toevoegen, typ achter naam ‘Beste Vriend’ en druk op ok.

Nu staan er vijf nummers in mijn telefoon – dat van papa Sam, van papa Mike, Lorenzo’s nieuwe nummer, opa en oma’s nummer en dat van mijn nieuwe beste vriend.

Ik weet dat Lorenzo veel meer nummers heeft. Toen ik deze telefoon kreeg, moest ik de nummers van zijn vrienden, zijn voetbalteam, zijn klasgenoten en Sofie een voor een verwijderen.

Maar met dit ene nummer heb ik zo veel nummers helemaal niet nodig.

12

Ik sta naast mijn bed. Het is zaterdag. Wegloopdag.

Lorenzo en mijn ouders slapen nog. Ik ben in het weekend altijd als eerste wakker. Dan ga ik naar beneden om tv te kijken en te wachten totdat de rest ook is opgestaan en we croissantjes kunnen eten. Dat duurt vaak erg lang, want in het weekend zetten ze nooit een wekker.

‘Wekkers werken niet in het weekend,’ zegt papa Sam altijd. Al slaapt hij doordeweeks ook vaak door zijn wekker heen.

Ik loop langs Lorenzo’s kamer. Gelukkig hoef ik niet bang te zijn dat hij wakker wordt. Ik ken niemand die zo goed is in slapen als hij. In het weekend komt hij nooit

voor tien uur zijn bed uit. En dan alleen maar omdat het moet, zodat we met z’n allen kunnen ontbijten.

Bij de slaapkamer van mijn ouders ga ik iets stiller open, op mijn tenen.

Achter deze deur ligt papa Mike te slapen en als die nu wakker wordt, is alles voor niets geweest. Dan mislukt mijn plan, gaan ze toch scheiden en moet ik een veel te kleine kamer delen met Lorenzo. Dan hangen er straks posters van halfblote zangeressen boven mijn bed! Of ik woon in een of ander Italiaans bos, waar allemaal beren en wolven zijn maar geen papa Mike om mij te beschermen.

Nog twee stappen. Dan ben ik bij de trap en kan ik –

Tiehdieh.

Het geluid klinkt keihard door het stille huis. Ik had net zo goed mijn tas van de trap kunnen gooien en kunnen roepen: ‘Pap! Wakker worden! Ik ga weglopen!’

Ik houd mijn adem in, luister of hij wakker is geworden. Ik hoor het bed van mijn ouders kraken, lakens die worden verschoven. Komt papa Mike nu uit bed?

13

Gelukkig. Papa Mike komt niet uit bed. Hij draait zich alleen om.

Ik haal voorzichtig de telefoon uit mijn zak. Eén nieuw bericht van Beste Vriend: ‘Ben je het niet vergeten? Tot zo!’

Ik stop hem snel weg. Als ik nu een antwoord ga typen, maakt mijn telefoon allemaal piepgeluidjes en komt papa alsnog uit bed.

Ik ga voorzichtig, tree voor tree, de trap af. Nu is er nog maar één hindernis voordat ik buiten ben: papa Sam.

Sinds ze ruzie hebben, slapen ze niet meer bij elkaar. Papa Mike slaapt boven in bed, papa Sam beneden op de bank. Het was een beetje gek, die eerste ochtend dat ik beneden kwam en hem in een slaapzak op de bank zag liggen.

Gelukkig kan papa Sam net zo goed slapen als Lorenzo. Als ik bij zijn voeten ga zitten en de tv aandoe, mompelt hij met zijn ogen dicht iets wat klinkt als ‘goedemorgen knul’, draait zich daarna om en slaapt gewoon verder.

Eerst vond ik het helemaal niet erg. Mijn weekendochtenden waren een stuk gezelliger met een snurkende vader naast me. Maar dat was voordat ik wist dat hij daar lag omdat ze gaan scheiden en niet omdat hij de bank lekker vond liggen.

Ik sluip langs de deur van de woonkamer en ga de gang door. Dan draai ik de voordeur van het slot en doe hem voorzichtig open. Hij klemt een beetje en maakt

daardoor een schurend geluid. Dat is me eerder nooit opgevallen.

Ik stap naar buiten, trek de deur zo zacht als ik kan achter me dicht en loop het tuinpad over.

De zon doet zijn best om al zomers fel te schijnen, maar aan de frisse lucht voel je dat het nog vroeg is. Gelukkig heb ik een trui in mijn tas gedaan.

Bij de stoep draai ik me om en kijk naar het huis. Dit waren mijn eerste echte wegloopstappen.

‘Dag huis,’ fluister ik. En daarna ook: ‘Dag Lorenzo.’

Ik zeg geen ‘dag papa Sam’, geen ‘dag papa Mike’. Dat hoort niet bij weglopen.

‘Goedemorgen vroege vogel!’ hoor ik ineens.

14

Ik schrik. Buurman Paul! Hij staat bij zijn auto en kijkt me aan. Ik had niet gedacht dat ik nog meer mensen moest ontwijken.

Ik loop snel naar hem toe, bang dat ze zijn luide stem binnen kunnen horen.

‘Ga je sporten?’ vraagt hij.

‘Sporten?’

Hij knikt naar de tas over mijn schouder. Die ziet er voor hem natuurlijk uit als een gewone sporttas.

‘Ja,’ zeg ik snel. ‘Voetbal.’ Dat ik bij gym meteen wegduik als iemand de bal in mijn richting schopt, weet hij natuurlijk niet.

Buurman Paul is een soldaat. Of eigenlijk een baas van soldaten. Ik ben vergeten hoe dat heet, maar hij heeft het aan mij en Lorenzo uitgelegd tijdens een open dag van het leger.

We mochten toen ook schieten op een schietbaan, ar ik durfde niet. Lorenzo kreeg daarna complimenten, een soldaat zei zelfs dat hij later bij het leger moest. Ik kreeg spijt dat ik het niet geprobeerd had.

‘Succes!’ roept buurman Paul en hij stapt in zijn auto. Een gewone auto, geen tank.

‘Mijn werk moet je nooit mee naar huis nemen,’ antwoordde hij lachend toen ik hem er een keer naar vroeg.

Ik zwaai hem uit. Pas als hij de hoek om is, begin ik te lopen.

Als ik even later in de verte de supermarkt zie, moet ik aan het prikbord denken. Straks zal daar een nieuw briefje hangen:

VERMIST: ONZE ZOON LUCA.

Ik denk dat ik naast Boelie kom te hangen. En niet alleen op het prikbord, maar ook op bomen en lantaarnpalen in het dorp. Dan staren Boelie en ik samen alle 

kinderen aan die naar school fietsen. Welke foto zouden ze gebruiken?

Ik hoop niet de schoolfoto van een paar maanden terug. Ik moest van papa Mike een net overhemd aan, hoog dichtgeknoopt waardoor ik bijna stikte. Hij had

ook tegen papa Sam gezegd dat hij niet moest vergeten om gel in mijn haar te doen. Die deed er toen bijna een halve pot in.

Ik loop langs de ingang van de supermarkt en steek de parkeerplaats over. Aan de andere kant begint het bos al.

De supermarkt is net open en er staan nog maar een paar auto’s geparkeerd. Een vrouw stapt uit haar auto, doet haar zonnebril af en kijkt mij lang aan.

Even twijfel ik... Ga ik met haar weglopen?

Lorenzo keek laatst een tv-programma waarin een vrouw voor de gek was gehouden. Ze dacht dat ze online haar grote liefde had ontmoet: een knappe, lange basketballer. Maar toen ze samen met een presentator bij zijn huis aanbelde, deed er een kleine, oude man open. Die zei dat hij vroeger wel eens basketbalde en dat gewoon heel erg miste.

Wat als deze vrouw heeft gedaan alsof ze tien was?

Maar de vrouw wandelt naar de ingang van de supermarkt. Opgelucht kijk ik haar na.

Veel kinderen denken dat alleen mannen ontvoerders zijn, maar Lorenzo heeft een keer gezegd dat vrouwen dat ook kunnen zijn. En volgens hem is dat eigenlijk nóg gevaarlijker, want niemand verwacht het.

Aan de rand van de parkeerplaats ga ik op een grote steen zitten. De ochtendzon schijnt warm op mijn armen en mijn gezicht.

De zenuwachtige kriebels in mijn buik zijn sinds gisteren niet meer gestopt met dansen. Ik heb honger en geen honger tegelijk. En ik moet ook nog plassen.

Uit mijn tas haal ik de rol chocoladekoekjes en ik neem er twee. Nu ik weggelopen ben, hoef ik niet meer naar mijn ouders te luisteren. Ik mag alles zelf bepalen. Hoe laat ik naar bed ga, wat ik als ontbijt neem. Chocoladekoekjes dus.

Waarom lopen er eigenlijk niet meer kinderen weg?

Er gaan nog een paar mensen de supermarkt in en uit. Niemand kijkt naar mij.

Net wanneer ik denk dat ze niet meer komt, gaat mijn telefoon. Tiehdieh.

Ben jij dat op die steen?

Ik kijk naar de overkant van de parkeerplaats. Een man loopt net de supermarkt uit, maar duwt met twee handen een karretje voor zich uit. Een vrouw heeft het te druk met een huilend kind op de achterbank. Verder zie ik niemand.

Voor de zekerheid stuur ik terug: misschien

‘Misschien?’ zegt iemand achter mij. ‘Wat is dat nou weer voor antwoord?’

15

Vanachter de bomen komt een meisje tevoorschijn. De tuinbroek, de grote bos krullen, de stoffen tas over haar schouder – ik herken haar meteen.

‘Jij bent het meisje van de supermarkt!’ Ik sta op van mijn steen.

‘En jij bent...’ Ze kijkt me onderzoekend aan, het duurt even voor ze mij herkent. ‘...de jongen die opa’s huis wilde kopen!’

‘Ik keek alleen maar naar het prikbord!’

‘Hmm,’ zegt ze, niet helemaal overtuigd. ‘Zolang je maar weet dat niemand opa’s huis mag kopen. Jij dus ook niet.’

We zijn allebei stil. Ik wil wat zeggen, maar door mijn hoofd zweven alleen halve zinnen. Dan zie ik dat ze me vreemd aankijkt.

‘Wat is er?’

Ze wijst naar mijn mond. ‘Er zit daar chocola.’

Ik wrijf over mijn mondhoeken en kijk naar mijn vingers. Chocola van de koekjes. Snel veeg ik nog een paar keer met de rug van mijn hand langs mijn mond. ‘Dank je.’

‘Het is maar goed dat we samen weglopen,’ zegt ze lachend. ‘Anders had je de rest van deze wegloopdag met chocoladevlekken om je mond rondgelopen.’

Ze blijft me onderzoekend aankijken, alsof ze controleert of ik nog ergens chocola heb zitten. Haar blik gaat van mijn tenen naar mijn hoofd en weer terug. ‘Dus jij bent mijn nieuwe vriend.’

‘Nieuwe béste vriend.’

Ik had ‘beste’ onderstreept op het briefje. Met vrienden game je of speel je met lego, met beste vrienden loop je weg.

‘Béste? Nou, dat moeten we nog maar zien.’

Zou ze me geen goede beste vriend vinden? Misschien is ze wel teleurgesteld, alsof ze een jonge, lange basketbalspeler verwachtte en nu voor een oud, klein mannetje staat.

Ik ga iets meer rechtop staan, probeer mezelf wat langer te laten lijken.

Het lijkt wel alsof ze mijn gedachten kan lezen, want ze zegt: ‘Ik had je iets groter verwacht, iets sterker.’

‘Bij het bowlen pak ik net zulke zware ballen als mijn ‘Bij het bowlen pak ik net zulke zware ballen als mijn broer,’ antwoord ik zo zelfverzekerd als ik kan. ‘En die is veertien.’

 Dat ze bij mij vaak in de goot terechtkomen en er eentje zelfs een keer halverwege de baan stil bleef liggen, zeg ik er niet bij.

‘Hm, ik hoop het maar.’ Ze draait zich om en loopt het bos in. Na een paar stappen kijkt ze over haar schouder. ‘Kom je?’

‘Gaan we het bos in?’

‘Je wilde toch weglopen? Hier vinden ze je niet zo snel.’

Ik kijk naar de bomen. Met mijn fantasie kan ik heel wat enge dingen bedenken over het bos.

Maar ze heeft gelijk. We kunnen niet in het dorp blijven. Zeker niet als er straks overal posters hangen met onze gezichten erop.

Een beetje aarzelend nog loop ik achter haar aan, het bos in.

Afbeelding
Afbeelding

UIT DE KRANT