In de tachtig en zes dagen per week klaarstaan voor anderen

RODEN – Als je ouder wordt, vergeet je soms dat je ook in deze categorie valt. Dan kan je in het tuincentrum geraniums halen óf je kunt actief blijven. Anna van Mal is 82 jaar en heeft alleen op zondag een vrije dag. De rest van de week is ze actief bezig als vrijwilliger bij onder andere de Havezate Mensinge en rijdt voor Stichting WiN ouderen naar het ziekenhuis. ‘Mijn vader zei altijd: “Wil niet ligt op het kerkhof en kan niet ligt ernaast.” En daar had hij gelijk in.’ Haar vensterbanken staan vol met schilderwerken. ‘Een expositie voor wie langsloopt. En ook een beetje tegen de inkijk.’
‘Maller wordt het niet’, vertelt de goedlachse tachtiger wanneer de verslaggever om haar naam vraagt. Van Mal werd geboren in de Oosterparkwijk, in de stad Groningen. Het gezin kreeg drie jongens en om de kleine Anna als enige meisje tegemoet te komen, werd besloten een pleegkind in het gezin op te nemen. Het gezin had nog een pleegkind. De jonge man had na de oorlog een plek nodig om te kunnen wonen. Ze herinnert zich nog de zondagmiddag op het pleintje voor haar huis. Voor een dubbeltje kon in de speeltuin een film van Laurel en Hardy worden bekeken. Later werkte ze als leerkracht en gaf les in handenarbeid. Steeds meer kwam ze in aanraking met verschillende technieken.
![]()
De vensterbank van Van Mal is een ware expositie.
Ze werkt veelal met acryl. Nog steeds leert ze. ‘Het is heel belangrijk dat je bezig blijft, ook voor anderen. Geregeld rijd ik oudere mensen naar het ziekenhuis. Als ze een afspraak hebben, dan breng en haal ik ze. Dan kom je best leuke gevallen tegen hoor,’ vertelt ze met een lach. ‘Ik moest een mevrouw van 83 jaar naar het ziekenhuis brengen. Onderweg vertelde ze dat ze al oud was en dat ze daardoor niet veel meer kan en leeft met de dag. “Ach”, zei ik, “ik ben nog maar 82.” Dat had ze niet verwacht. Je bent zo oud als dat je je voelt.’ Ook had ze laatst een minder fijne ervaring. ‘Dat was een hele verdrietige ervaring. Deze mevrouw wilde zelf de route bepalen. Maar dat kostte mij meer kilometers.’ Toen zij in de wachtkamer zaten werd de norse vrouw opgeroepen om met de verpleegster mee te gaan. ‘Vot wezen doe, ik wil die der nait bie hebben’, zei ze. Ik dacht, dan ga ik op de terugweg haar route rijden.’ Van Mal vroeg de vrouw of zij ook ervaarde dat deze route langer was. ‘Dan hast de kilometers mor op moeten schrieven. Dan hast vergoeding kinnen kriegen. Nou je kunt wel nagaan hoe boos ik werd. Daar heb ik ook een melding van gemaakt. Het voelde zo ondankbaar.’ Maar deze nare ervaring stopt haar niet. Zolang ze het kan, staat ze voor anderen klaar. Ook bezoekt Van Mal oudere mensen waar ze gezellig een uurtje mee zit te kletsen. ‘Zo bezoek ik ook geregeld een vrouw in De Hullen. Afsluitend ga ik dan naar de bingo, die ik begeleid. Dan vul ik de bingokaarten in voor de mensen die dat niet meer kunnen. Daarnaast borduurt ze graag, al heeft ze die hobby wegens de drukte achterwege gelaten. Daarvoor in de plaats is het puzzelen gekomen. ‘Televisie kijk ik bijna niet, ik vind het heerlijk om te puzzelen.’ Toch staat er een flinke televisie in de woonkamer. ‘Ach ja, vijftig centimeter. En ik wil nog groter ook. De mensen wil ik de ogen kunnen aankijken,’ grapt ze.
![]()
Anna van Mal, met op de achtergrond haar borduurwerk.
De woonkamer aan de Hofstedenlaan lijkt op een atelier. Overal staan kunstwerken en niet alleen in de vensterbank. ‘Het mooiste wat hier hangt is die van Janneke Brinkman. Een prachtig boeket.’ Dan loopt Van Mal naar een canvas, dat tegen de deurpost aanleunt. Een vrouw met een grote zonnehoed op, houdt in haar hand drie tulpen vast. Zelf vindt ze het niet bijzonder. ‘Mijn kleinzoon wil hem graag hebben. Neem maar mee, zei ik. Het werk was toch snel klaar, hopeloos. Ik probeer er wat langer over te doen. Het gaat mij te snel, daarom heb ik ook zoveel.’ Een ander werk bestempelt ze als ‘afschuwelijk’. ‘Tijdens onze cursus moesten we papier op het canvas plakken en hier overheen schilderen. Priegelig. Ik vond het maar niks. Als een ander er maar blij van wordt.’ De nuchtere Groningse pakt een oud fotoalbum van het dressoir. In zwart-wit- en sepiatinten is haar familie te zien. ‘Mijn grootmoeder is van 1880, dus je kan wel nagaan hoe oud dit album is. Ik kwam uit een heel aimabel gezin. Ik heb tegen mijn kleindochter gezegd dat ik 93 word. Ik wil de oudste van de familie worden. Mijn tante wilde dat niet halen. Ze was oud en af en toe nam ik haar mee voor een wandeling. Dan ging ze met haar rollator eropuit en dronken we een kop thee bij de Hema. Maar die toekomst zie ik niet voor mij. Lekker bezig blijven en je inzetten voor anderen. Dat hoop ik nog lang te mogen doen.’



