Verbod op online gokken staat hoog op de politieke agenda, maar hoe realistisch is dat?

De discussie over de Nederlandse gokmarkt is opnieuw in alle hevigheid losgebarsten. Naar aanleiding van recente, zorgwekkende cijfers over een toename van het aantal gokverslaafden, heeft een coalitie van christelijke en centrumpartijen de regering via Kamervragen opgeroepen tot drastische maatregelen. Hun meest vergaande voorstel: het categorisch verbieden van online gokken in Nederland.
Dit idee, dat een volledige omkering van het beleid uit 2021 zou betekenen, legt een diepgaand politiek en maatschappelijk dilemma bloot. Is een totaalverbod een effectief middel om kwetsbare groepen te beschermen, of duwt het spelers juist naar een onveilige, illegale markt zonder enig toezicht?
![]()
Bijschrift - Credit
De groeiende roep om een verbod
De Kamervragen, ingediend op 27 juni, zijn een direct gevolg van de nieuwste rapportage van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS), waaruit een stijging van het aantal hulpzoekenden voor gokproblematiek blijkt. De partijen wijzen op de toegenomen risico’s sinds de legalisering van de online markt. De laagdrempelige toegang tot een breed scala aan spellen wordt gezien als een belangrijke oorzaak van de problemen.
Een modern online platform zoals Playboom24 biedt bijvoorbeeld een complete entertainmentervaring met casinospellen, sportweddenschappen en een live casino, allemaal direct beschikbaar via een smartphone. Juist deze combinatie van een groot, attractief aanbod en 24/7 beschikbaarheid is wat de voorstanders van een verbod zorgen baart. Zij stellen dat alleen een volledige ban de samenleving, en met name jongeren, effectief kan beschermen tegen de verleidingen.
Het risico van de onzichtbare, illegale markt
Tegenover de roep om een verbod staat een luid en pragmatisch tegengeluid van een meerderheid van de andere politieke partijen, waaronder PVV, GroenLinks-PvdA, VVD en D66. Hun voornaamste argument is dat een verbod op het legale aanbod het gokken niet zal stoppen, maar het juist onzichtbaar zal maken. Spelers die willen gokken, zullen hun weg vinden naar de duizenden illegale, buitenlandse websites die op het internet te vinden zijn.
Deze illegale markt brengt aanzienlijke gevaren met zich mee. Er is geen enkel toezicht van de Nederlandse Kansspelautoriteit (Ksa), wat betekent dat er geen garantie is op een eerlijk spelverloop of een correcte uitbetaling van winsten. Nog belangrijker is dat er op deze sites geen verplichte tools voor spelersbescherming zijn. De mogelijkheid om limieten in te stellen ontbreekt, en het cruciale zelfuitsluitingsregister Cruks is niet van toepassing, waardoor kwetsbare spelers aan hun lot worden overgelaten.
Het oorspronkelijke doel van de huidige wet
De critici van een verbod wijzen op het oorspronkelijke doel van de Wet Kansspelen op afstand (Koa) uit 2021. Deze wet was juist bedoeld om een einde te maken aan een onwenselijke situatie waarin tienduizenden Nederlanders al op illegale sites speelden.
Het doel was ‘kanalisatie’: het creëren van een aantrekkelijk en veilig legaal aanbod om spelers weg te leiden van de onveilige, illegale markt en ze binnen een gereguleerde omgeving te brengen waar de overheid toezicht kan houden en bescherming kan bieden. Een totaalverbod zou dit beleid volledig tenietdoen en de situatie van voor 2021 herstellen, wat volgens velen een stap achteruit zou zijn.
De economische keerzijde van een verbod
Naast het argument van kanalisatie, zijn er ook aanzienlijke economische overwegingen die een totaalverbod onrealistisch maken. De legale kansspelsector is inmiddels een belangrijke bron van inkomsten voor de schatkist via de kansspelbelasting. Deze belastinggelden worden onder andere gebruikt om het Verslavingspreventiefonds te financieren, dat juist initiatieven voor de behandeling en preventie van gokverslaving ondersteunt.
Een verbod zou deze inkomstenstroom doen opdrogen, terwijl de maatschappelijke kosten voor verslavingszorg (via het illegale circuit) waarschijnlijk gelijk blijven of zelfs stijgen. Bovendien zou het verdwijnen van de legale sector leiden tot het verlies van honderden banen en miljoenen aan sponsorgelden voor de Nederlandse sportwereld.
Een blik op de buren
De moeilijkheid van het handhaven van verboden in de goksector wordt geïllustreerd door de situatie in België. Daar werd een verbod op gokreclame op voetbalshirts ingevoerd, maar in de praktijk wordt dit op creatieve wijze omzeild. Clubs spelen nu met de naam van een zogenaamde ‘nieuwswebsite’ op hun shirt, die vrijwel identiek is aan de naam van de goksponsor en direct naar diens platform leidt.
Dit toont aan dat als de commerciële belangen groot zijn, er altijd mazen in de wet worden gezocht. Het handhaven van een relatief simpel reclameverbod is al een uitdaging; het volledig blokkeren van duizenden buitenlandse goksites voor Nederlandse spelers wordt als een nagenoeg onmogelijke taak gezien.
De toekomst van de gokwet
De roep om betere bescherming van kwetsbare groepen is terecht en wordt breed gedragen in de politiek. De vraag is echter welk middel het meest effectief is. Een totaalverbod klinkt als de meest rigoureuze oplossing, maar de parlementaire meerderheid lijkt te erkennen dat dit in de praktijk waarschijnlijk leidt tot een groter, onzichtbaar probleem. De politieke discussie zal zich daarom naar alle waarschijnlijkheid niet richten op een volledig verbod, maar op het verder aanscherpen van de huidige regels.
Denk hierbij aan nog strengere reclamebeperkingen, een mogelijke verhoging van de minimumleeftijd, en het invoeren van overkoepelende speellimieten. De conclusie lijkt te zijn dat het voor de overheid effectiever is om zicht en controle te houden op een gereguleerde markt, dan om spelers de illegaliteit in te duwen waar elke vorm van bescherming ontbreekt.



